
Tien jaar darmproblemen in de kraamstal: hoe kreeg de varkenshouder weer grip?
Met onderzoek, hygiëne, voer en management daalden uitval, diarree en infectiedruk sterk


Wat troffen ze aan bij de intake?
Bij de eerste intake werd al snel duidelijk dat dit geen enkelvoudig probleem was. “We zagen een kraamstal met grote conditieverschillen bij de zeugen, wisselende uierprestatie, veel geboortediarree en een hoge coccidiosedruk”, zegt Roy Nieuwenhuis. “Daardoor werden te veel biggen met darmschade gespeend en met onvoldoende weerstand opgestart, met extra uitval en tegenvallende groei als gevolg.” Voor Nieuwenhuis en Van Hout was direct duidelijk dat ze niet met één maatregel verbetering zouden bereiken. Ze moesten op meerdere vlakken tegelijk aan de slag.

Lag het probleem bij de afweer of bij de infectiedruk?
Rick van Hout startte met aanvullend mestonderzoek om scherper te krijgen welke ziekteverwekkers op het bedrijf speelden. Daarbij werd gewerkt met een autovaccin, opgebouwd uit bedrijfseigen kiemen. “Op een gegeven moment kwamen de kiemen die we in de stal terugvonden overeen met de kiemen die al in het vaccin zaten. Met andere woorden: aan de vaccinkant zaten we goed, maar aan de infectiekant niet”, vertelt Van Hout. Daarmee verschoof de aandacht van afweer naar infectiedruk.
Die infectiedruk is vervolgens aangepakt. Zo bleek de ventilatiecapaciteit in de kraamstal onvoldoende om het klimaat droog genoeg te houden. Ook zijn de biggennesten duidelijker afgeschermd, zodat de biggen vanaf de eerste dagen droger en schoner lagen en het mestgedrag beter richting het rooster werd gestuurd. Dat verbeterde de hygiëne in het hok en hielp om de infectiedruk verder te verlagen.
Aan de vaccinkant zaten we goed, maar aan de infectiekant niet
Rick van Hout, dierenarts bij AdVee
Welke rol speelde voer in de aanpak?
Nieuwenhuis was eerder op het bedrijf geweest en zag dat het probleem ook bij vorige voerleveranciers bleef spelen. Daarom begon hij bij de basis: de vetvertering van de big. “Als een big vetdiarree heeft, dan ga je nadenken: welke vetten kan hij wél goed verteren?” In het rantsoen is daarom gestuurd op luxere, beter verteerbare energiebronnen, met onder meer soja, vis en kokosolie. Daarbij keek hij niet alleen naar de biggen, maar ook naar de dracht en lactatie van de zeugen, om de conditie gelijkmatiger te krijgen en de energievoorziening beter af te stemmen. Het rantsoen werd niet in één keer vastgezet, maar stap voor stap aangepast op basis van wat in de stal zichtbaar was.
Als een big vetdiarree heeft, dan ga je nadenken: welke vetten kan hij wél goed verteren?
Roy Nieuwenhuis, specialist varkens en nutritionist bij Coops Mengvoeders
Wat leverden hygiëne en management op?
Om de infectiedruk verder terug te dringen, is ook de reiniging en ontsmetting in de kraamstal onder de loep genomen. “We hebben getest met afdrukjes uit de omgeving en die op kweek gezet. Dat bevestigde dat de stallen nog niet schoon genoeg waren”, zegt Van Hout. Een andere manier van reinigen zorgde voor schonere hokken en maakte zichtbaar verschil in de stal: vetdiarree bleef wekenlang uit. Daarnaast werd ook het management aangescherpt. “We zijn minder dieren gaan overleggen, dus alleen als het echt nodig was.” Op een bedrijf met hoge infectiedruk gaf dat meer rust in de tomen. Ook werd scherper gekeken naar conditieverschillen en voeropname van individuele zeugen. “Ze bekijken het nu meer per dier; eerder was het meer per groep”, vult Nieuwenhuis aan.
Wat veranderde er in de stal?
De eerste effecten waren snel zichtbaar. “Het stalbeeld veranderde vlot na inzet van het lactatievoer”, zegt Nieuwenhuis. De neonatale diarree verdween vrijwel meteen en koppels die nog klachten hadden, hadden vaak nog maar één behandeling nodig. Ook de vetdiarree schoof naar achteren in leeftijd: in week 2 kwam die niet meer voor, in week 3 bijna niet meer en in week 4 nog bij ongeveer 30 procent van de tomen. Later daalde dat verder naar circa 20 procent. Na aanscherping van de reiniging en een ander ontsmettingsmiddel volgden zelfs weken zonder vetdiarree. Tegelijk steeg het aantal gespeende biggen per uier, namen kwaliteit en gewicht toe en daalde de diarree-uitval in de kraamstal van circa 30 naar 3 biggen per maand. Toen het probleem in de zomer na een jaar nog even opleefde, werd opnieuw bijgestuurd in de energievoorziening.
Hoe kwam ook het vertrouwen terug?
Na al die jaren problemen was de varkenshouder gaan twijfelen aan zichzelf. Wat is nog normaal, en wat niet? Om hem daarbij te helpen, trokken Van Hout en Nieuwenhuis samen op. Volgens Van Hout zit daar ook de kracht van deze case. “In mijn eentje had ik het niet kunnen doen, je hebt elkaar nodig.” Beiden komen los van elkaar maandelijks op het bedrijf en stemmen hun bevindingen daarna met elkaar af. “En als ik ergens dingen oppik of denk: misschien kunnen we hier iets mee, dan bespreek ik dat met Roy en andersom”, zegt Van Hout. Nieuwenhuis vult aan: “Je moet goed naar de dieren kijken, ook in combinatie met wat de varkenshouder zelf ervaart en ziet.” Door onderzoek, voermaatregelen, verbeteringen in klimaat en hygiëne en scherpere sturing in het management kwam er stap voor stap weer grip op de kraamstal. En daarmee kwamen ook het vertrouwen en het werkplezier terug.
*De varkenshouder wenst anoniem te blijven.
Tekst: Marloes ten Oever
Beeld: Gerard Burgers
