Column: Provincie mist kans om vertrouwen te herstellen

Op uitnodiging van Focus op leefbaarheid, een vereniging van bewoners en ondernemers rondom het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek in Overijssel, bezocht ik afgelopen week hun jaarvergadering in Vasse. De vereniging had het RIVM uitgenodigd om de resultaten van vier jaar nitraatmetingen in het grondwater te presenteren. Daarnaast werd de uitkomst van een bewonersonderzoek gepresenteerd.
Wat mij in het bewonersonderzoek opviel was dat er grote waardering is voor de landbouw in het gebied en dat de huidige balans tussen landbouw, natuur, recreatie en sociale samenhang als goed werd ervaren. Sterker nog, die zou behouden moeten worden.
Tegelijk voelt 86 procent van de ondernemers zich murf geslagen door allerlei invloeden waar ze geen invloed op hebben. Een voorbeeld daarvan zijn de maatregelen die in het gebied worden genomen in het kader van het Natura 2000-beleid. Er zijn volop ontwikkelingen en maatregelen waar het gebied zich naar moet schikken zonder dat er goed met de bewoners wordt overlegd. Laat staan dat ze invloed hebben op die maatregelen. Het vertrouwen in de provincie Overijssel en Staatsbosbeheer zijn daardoor tot onder het nulpunt gedaald.
Nitraatmetingen
Het onderzoek naar de uitspoeling van nitraat in het grondwater is in dit geheel een interessant en exemplarisch voorbeeld. Het RIVM en de provincie Overijssel hadden toegezegd om het gebied vorig jaar al te informeren over het onderzoek. Doordat het RIVM op een aantal meetlocaties tot hele lage nitraatconcentraties kwam, werd de presentatie zonder instemming vanuit het gebied uitgesteld. Het RIVM en provincie Overijssel concludeerden dat er mogelijk niet goed was gemeten op die locaties en daardoor zou het eerste meetjaar niet representatief zijn en onjuiste cijfers geven. Ook waren de eerste drie meetjaren verschillend in neerslaghoeveelheden, waardoor er volgens het RIVM een onvoldoende consistent beeld was.
Vanuit de zaal werden daar overigens vraagteken bij geplaatst. Volgens het RIVM is er op sommige locaties onder een leemlaag bemonsterd die water moeilijk doorlaat. Grondwater met nitraat stroomt dan ondergronds boven die leemlaag af naar de beekdalen. Maar doordat die leemlagen niet overal aanwezig zijn mengt het grondwater zich ook volgens de bewoners in het gebied, dus zou een deel van het nitraat dat uitspoelt ook daarin terecht komen.
De resultaten die gepresenteerd werden verschilden niet veel van de drie eerste meetjaren, doordat Arno Hooijboer van het RIVM zich beperkte tot de hoofdconclusies. Die waren via een WOO-verzoek van mij al eerder naar buiten gekomen en daarna ook door de provincie naar buiten gebracht.
Discussie metingen
Ik had zelf op meer detail gehoopt, omdat dat ook precies de uitdaging in het gebied is vanwege de grote verschillen op korte afstand in de bodem. Dat vertelde Hooijboer ook. Binnen één perceel komen grote variaties voor in nitraatgehalten. Dat riep verschillende vragen op vanuit de zaal. Zo werd het verschil tussen het meten van nitraat in bodemvocht en nitraat in grondwater bediscussieerd, doordat Hooijboer aangaf dat de nitraatconcentraties in bodemvocht gemiddeld hoger was dan in het grondwater. Zit het grondwater dieper van vijf meter dan neemt het RIVM een monster van het bodemvocht. Zit het grondwater minder diep dan wordt er een monster uit het grondwater genomen. En in dit gebied is het meetprotocol na het eerste meetjaar aangepast door de aanwezigheid van de leemlagen. Zit er een leemlaag binnen die eerste vijf meter en staat daar geen grondwater boven, dan wordt er ook een bodemvochtmonster genomen.
Hoe betrouwbaar zijn de bodemvochtmetingen, vinden er achteraf correcties plaats op de uitslagen en in hoeverre is een bodemvochtmeting vergelijkbaar met een grondwatermeting? Het waren interessante en kritische vragen mede gevoed door het wantrouwen dat heerst in het gebied. Maar Hooijboer gaf aan dat het RIVM vastgestelde protocollen hanteert die door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet goedgekeurd zijn om een indicatie te krijgen van nitraatuitspoeling. Dat het nitraatgehalte in bodemvocht hoger is dan in grondwater komt volgens Hooijboer doordat het om een drogere bodem gaat en daarin is sprake van minder nitraatafbraak.
Ook vonden verschillende mensen in de zaal het onterecht dat hoge uitschieters in de metingen meetelden. Er kwam zelfs een voorbeeld uit de zaal van een meetpunt naast een composthoop van een terreinbeherende organisatie. Zo’n meetpunt zou niet representatief zijn, maar ook hier gaf Hooijboer aan dat alle metingen volgens het protocol even zwaar meetellen. Dat is ook het geval bij het landelijke meetnet. Alleen vallen de uitschieters daar meer weg, door de grotere hoeveelheid aan metingen.
Andere vraag
De voorzichtige conclusie van het RIVM na vier meetjaren is dat de beperkingen ten aanzien van bemesting en het uit gebruik nemen van percelen voor de landbouw tot minder nitraatuitspoeling leiden. Na de bijeenkomst was er in de zaal een dubbel gevoel. Ze waren tevreden over het feit dat het RIVM de resultaten deelde, maar ontevreden over wat de uitslag nu betekent voor hun gebied. Hooijboer gaf met zijn conclusie een antwoord op de vraag die door de provincie Overijssel was geformuleerd bij de aanbesteding van het onderzoek. Maar dat is niet de vraag die het gebied eerder formuleerde. Vanuit het gebied is er sinds 2015 gevraagd om een nulmeting, om te bepalen of en in welke mate er maatregelen nodig zijn. Door het naar achteren schuiven van het onderzoek is daardoor de onderzoeksvraag verandert. De mensen in de zaal wilden weten of de maatregelen deels teruggedraaid kunnen worden, maar daarop moest Hooijboer het antwoord schuldig blijven.
Het is ook niet aan het RIVM om dat te bepalen, tenzij de provincie dit alsnog gaat vragen. Dus wat er feitelijk gebeurde dinsdagavond was dat het gebied eindelijk geïnformeerd werd over de resultaten, maar dat ze geen antwoord kreeg op hun belangrijkste vraag. Daarvoor had er ook iemand van de provincie aanwezig moeten zijn om de uitkomsten van het RIVM te duiden.
Gemiste kans
Erwin Evers, pluimveehouder en één van de drie boeren die in de werkgroep zit van het onderzoek, trok daarom na de presentatie van Hooijboer zelf alvast een conclusie. Evers concludeert op basis van de meetcijfers dat het nitraatgehalte in vier van de vijf natuurgebieden 0 milligram is en in één gebied 22 milligram. Het RIVM bevestigde dat. Volgens Evers kan daardoor een deel van de landbouwkundige beperkingen teruggedraaid of afgezwakt worden. Niet op alle percelen, maar wel op een deel.
Maar Evers bepaald dat natuurlijk niet. En het RIVM ook niet. Daardoor was deze bijeenkomst eerder een voortzetting van het huidige wantrouwen richting de provincie, dan dat partijen nader tot elkaar kwamen. Het voelt als een gemiste kans voor de provincie om hier een eerste stap te zetten in het herstellen van het vertrouwen.




